Botergeel.
Ik heb afgelopen week je graf weer netjes gezet. Ik ging aan de slag met viooltjes en heel veel bloembollen, zoals ik dat al elke oktober doe.
De bollen heb ik dit jaar niet geteld, mea culpa. Ik had er een tweehonderdtal voorzien, maar ik vermoed dat er maar een goeie honderd de grond in zijn geraakt. Mijn handen vonden nog bollen van vorig jaar. – Er zit daar intussen nogal wat onder de grond. – En de eerste sneeuwklokjes komen al piepen. Die zijn er vroeg bij dit jaar.
Maar over de viooltjes heb ik even staan twijfelen in de winkel…
Jou kennende mocht het rustig zijn. Stil. Niet te druk. Niet te bont. De voorbije jaren hield ik het bij wit, lichtblauw, lichtpaars. Maar nu stond ik daar met kleine witte en grote gele violen in mijn handen.
Geel.
Ik, begot.
Ik zie je zó met je ogen rollen. Want wie was degene die altijd zei dat ze allergisch was aan gele en rode bloemen? Dat ze die zo ouderwets vond? Dat die er echt niet in kwamen?
Wel ja. Ik dus.
En nu heb ik zonder verpinken grote gele violen op jouw graf geplant. Botergeel, om precies te zijn. Niet zó in your face als je nu misschien denkt. Maar ze zijn wel aanwezig, om zo maar te zeggen.
Ik had er gewoon goesting in.
En als ik denk aan alles wat daar in het voorjaar nog gaat uitkomen, wordt het waarschijnlijk een kakafonie.
Sorry, mijn lieve Alexander. Het zal iets minder ingetogen worden dan andere jaren.
Voor mij voelt het als een ode aan het leven. Ik durfde dit jaar voor kleur te kiezen. En ergens past dat wel bij hoe ik het afgelopen jaar het leven weer een beetje heb vastgepakt.
Dat wil niet zeggen dat het verdriet minder is geworden. Er is nog altijd heel veel verdriet. Om jou. Om ons gemiste gezin. Om de entiteit die wij waren en die gebroken is.
De voorbije weken was ik in de weer met TEC7.
(Hoera. Wat een uitvinding.)
Wij moesten er vaak om lachen. Ik zie je nog staan, met zo’n grote spuit in de aanslag. Jah, daar kan ik dus niet mee overweg. Ik heb die skills niet. Maar onlangs ontdekte ik dat dat ook gewoon in een tube bestaat.
Een túbe, ventie.
Sindsdien lijm ik alles. Álles.
Het huisnummer hangt weer op zijn plek. De geweien van in onze Manoir zijn hersteld.
Alleen… Ik krijg er een gebroken hart niet mee gelijmd.
En dat is jammer.
Met of zonder TEC7 probeer ik opnieuw te navigeren in dit leven.
Ik doe mijn best. Ik bots.
Op mijn grenzen. Op wat ik niet kan.
Op wie ik niet meer ben.
Want ik ben niet meer de Ellen die ik was met jou.
We zijn samen groot geworden. We hebben samen leren roeien in dat ouderschap. Met vallen en opstaan. Soms vooruit, soms achteruit. Soms lagen de roeispanen even stil, tot we weer moed hadden om verder te roeien. Maar we deden het samen.
En dat samen, dat mis ik keihard.
Jou als mijn steun. Mijn back-up.
Jou als vader van onze kinderen.
Jou als mijn allerbeste vriend.
Ik probeer al dik drie jaar te moederen en te vaderen tegelijk. En dat is verdorie lastig. Heel erg lastig. Ik kan mijn best doen. Ik kan alles geven wat ik heb.
Maar daarmee ben jij er nog niet.
En ik ben ook niet meer helemaal wie ik was. In zekere zin hebben de kinderen ook een stukje van hun moeder verloren.
Dat is geen fijne vaststelling.
Wel een eerlijke.
Ik heb mezelf vastgepakt met alles wat ik nog aan energie had.
Geprobeerd om er te zijn.
Om er te stáán.
Om elke dag opnieuw te kijken wat er nodig is, voor hen, voor mij.
En hoe ik dàt dan weer geregeld krijg.
Het is lastig roeien, zo alleen. En de stroming vaak genadeloos.
Er is intussen ook een nieuwe partner.
Iemand bij wie ik me zo goed voel.
Bij wie ik mag leunen, bij wie er ruimte is voor Ellen.
En ik mis jou.
Ook dat.
De dualiteit van het leven. Op het ene moment naast de ene man wakker mogen worden en een fractie later jou keihard missen.
Ik lijk in de verste verte niet meer op de vrouw met wie jij ooit trouwde. Daarvoor is er te veel gebeurd. Het leven heeft me genekt, heeft me op mijn knieën gekregen.
En ik heb moeten zoeken naar wie ik was zonder jou.
Want meer dan de helft van mijn leven was ik met jou geweest. Er zat zoveel wij in wie ik was, dat ik niet meer goed wist waar ik naar mezelf moest zoeken.
Het was graven.
Diep graven.
Naar Ellen.
Naar wat er van haar over bleef in de ruïnes nadat onze fundamenten daverden, dik drie jaar geleden.
Graven naar wie ze nog kon zijn. Of worden.
En wat ze nog wilde.
Wie ben ik nu?
Weduwe, ja.
Hoe noem ik jou?
Hoe benoem ik wat wij hadden, nu jij er niet meer bent?
Wat doe ik daarmee?
Op papier niet meer met jou getrouwd.
Dat wist ik. Maar door de abruptheid van hoe jij gestorven bent, bleek ik me in mijn hart nog wel met jou getrouwd te voelen.
Daar is het afgelopen jaar iets gekanteld.
Ik wil jou blijven vasthouden in dat leven van ons samen, maar tegelijk stond ik al zo ver weg van die duobaan die we deelden. Ik deed het al zo lang alleen. Jouw trouwring naast de mijne nog steeds aan mijn vinger, maar het voelde niet meer fout om ‘m uit te doen. Ik heb de ringen die ik van jou gekregen heb, en die van gij en ik waren, herwerkt tot een nieuwe ring waarin onze hele entiteit zit. Gij en ik, en dat schone nest van ons.
De steen uit mijn verlovingsring was ik al een tijdje kwijt. Maar er kwam een andere voor in de plaats: een Alexandriet. Een zeldzame steen met bijzondere kenmerken. Eentje die, tot in zijn naam, naar jou verwijst.
Zeldzaam. Ook dat had je mee.
Een steen die zelfs, afhankelijk van het licht, van kleur verandert… Jij, koning van taupe en grijs en – vooral – niet te kleurrijk asjeblieft.
Ik liet er jouw naam en ‘jouw’ hartje in graveren, samen met onze initialen. Want die trouwringen gingen al lang niet meer over gij en ik, het ging over ons, over dat grote nest van ons.
Een nest dat voor altijd een stukje gebroken blijft.
TEC7 gaat ons daar niet bij helpen.
Bloemen wel, een beetje.
Dus zijn er nu gele violen. En straks, in het voorjaar, waarschijnlijk bloemen in kleuren die ik zelf alweer vergeten ben. Deze ochtend legden we er opnieuw een groot hart van gypsophila naast. Een hart met heel veel kleur.
We blijven zoeken naar de silver linings. Naar kleur. Naar hoe het verder moet met ons, in dit leven dat zo anders is geworden.
Met een nieuwe partner. Met familiebanden en vriendschappen waarin we ook onze weg zoeken. Met kinderen die groter worden en een moeder die zichzelf niet altijd bij kan houden.
Ik heb mezelf opnieuw gevonden, denk ik.
Maar het is een andere Ellen geworden.
Ik weet eigenlijk niet eens of jij mij vandaag nog graag zou zien, om wie ik nu ben. Of je überhaupt verliefd op me zou worden.
Ik hoop het ergens.
Ik hoop dat je trots bent op hoe ik de dingen doe. Ook wanneer ik het zelf niet goed weet.
Op hoe ik elke dag opnieuw kies om er te zijn voor onze kinderen.
Met alles wat lukt en alles waartegen ik bots.
Het is niet gemakkelijk.
Maar we pakken mekaar vast.
En we laten mekaar niet los.
Je hoort erbij, ventie.
Voor altijd.
Het gaat goed met ons.
We doen ons best.
We missen je.
En we zien je graag.
En we missen je.
Heel gewoon heel veel.
In alle tinten kleur maar vooral
in ’t botergeel.
Geef een reactie